In de chirurgie worden diverse maatregelen genomen om complicaties na een operatie te voorkomen. Zo wordt bijvoorbeeld een antibioticabeleid gevoerd om de kans op
wondinfectie te verkleinen. Of er wordt gestreefd naar een goede balans bij comorbiditeit (denk aan bloedglucoseregulatie, tensieregulatie) of er worden stoppen-met-roken-programma’s en/of fitnessprogramma’s aangeboden. Allemaal maatregelen die bedoeld zijn om bij te dragen aan een betere fysieke conditie en aan betere omstandigheden rondom de operatie.
Een andere bekende preventieve maatregel is het gebruik van negatievedruktherapie over de gesloten incisie (closed incision negative pressure therapy, ciNPT). We kennen negatievedruktherapie vanuit de reguliere wondzorg. Hierbij wordt de wond tot op huidniveau opgevuld met foamverband, luchtdicht overtrokken met folie, waarna het verband wordt verbonden met een vacuümpomp die het verband continu of intermitterend (met tussenpozen) vacuüm trekt.
Nu is er specifiek voor schone, gehechte operatiewonden een vacuümverband (ciNPT) ontwikkeld dat direct over de operatiewond wordt aangebracht, dus direct na het sluiten van de incisie. Ook hierbij worden foam en folie over de wond aangebracht, waarna het verband vacuüm getrokken wordt. Dit postoperatieve verband blijft vijf tot zeven dagen op de wond zitten. Dit verband beoogt door de zuigkracht de wondranden gedurende de behandelperiode bij elkaar te houden, wat zal bijdragen aan een betere wondgenezing. Daarbij kan eventueel wondvocht worden opgevangen in de opvangbeker van de vacuümpomp en dient het verband als een bescherming tegen micro-organismen.
In diverse specialismen en bij diverse typen operaties is al onderzoek gedaan naar het effect van deze behandeling op het voorkomen van wondinfectie en van wonddehiscentie (het wijken van de wondranden in de gehele of gedeeltelijke lengte van de incisie en in de diepte). Omdat er onvoldoende bekend was of ciNPT ook ‘werkt’ bij autologe borstreconstructies is hier onderzoek naar gedaan op afdeling Plastische en Reconstructieve Chirurgie van het Radboudumc. Er werden twee randomized clinical trials uitgevoerd bij autologe borstrecontructies waarbij eigen weefsel uit de buikregio of uit de bilregio (donorsite) verplaatst wordt naar de borstregio (acceptorsite) om een of twee nieuwe borsten te vormen. De resultaten van beide onderzoeken lieten een statistisch significant verschil zien tussen de interventiegroep (behandeling met ciNPT) en de controlegroep (behandeling met standaardverband, steristrips). ciNPT liet een positief effect zien. Omdat de eerste RCT (DEhiscence PREvention Study I) een pilotstudie en dus een kleine studie was, berekenden we – op grond van de resultaten van deze pilotstudie – hoeveel patiënten minimaal nodig waren voor een gepowerde effectstudie. De resultaten van de tweede RCT (DEhiscence PREvention Study II) lieten eveneens zien dat preventief inzetten van ciNPT effectief is in het voorkomen van wonddehiscentie bij borstreconstructies. Ook al is er altijd een kans op het ontstaan van complicaties, preventief inzetten laat in onze studies zien dat het de kans daar op verlaagt.
Deze onderzoeken maakten deel uit van mijn promotieonderzoek. Wetenschappelijk onderzoek is essentieel voor het verkrijgen van bewijs (evidence based practice) of – zoals in dit geval – een behandeling effectief is. Er zijn diverse methoden om wetenschappelijk onderzoek uit te voeren. De resultaten daarvan geven ondersteuning aan zorgverleners in de dagelijkse praktijk (richtinggevend voor het nemen van beslissingen). Daarnaast bieden de resultaten uit wetenschappelijk onderzoek mogelijkheden om richtlijnen op te stellen of te herzien. Dit alles met als doel om de kwaliteit van zorg te verbeteren.
Maar naast het belang van wetenschappelijk onderzoek is de ervaring van de patiënt ook essentieel. Ik herinner me een casus op de afdeling vaatchirurgie waar ik werk. Sinds enige tijd wordt direct na de operatie standaard negatievedruktherapie aangebracht bij open liesoperaties. Bij deze operaties worden doorgaans veel infecties en dehiscenties gezien. Gezien de medische voorgeschiedenis hebben vaatchirurgische patiënten veelal een verhoogd risico op wonddehiscentie en wondinfectie. Het vacuümverband wordt na een week op de polikliniek verwijderd. Toen ik het verband verwijderd had bij een 63-jarige man en er een fraai gesloten wond onder het verband vandaan kwam, zei hij: “Waarom hebben jullie mij dit verband de vorige keer niet gegeven? Nadat ik aan mijn andere lies ben geopereerd ging het mis en heb ik maanden een diepe wond gehad. Ik ben een hele tijd uit de running geweest.”
Natuurlijk, het doen van wetenschappelijk onderzoek blijft essentieel, maar deze uitspraak is voor mij veelzeggend, zo niet veelzeggender dan welk wetenschappelijk onderzoek ook.
Emmy Muller, Lid WCS Bestuur, Voorzitter Commissie Chirurgische wonden en stoma, Lid Redactie WCS Nieuws, Verpleegkundig specialist vaatchirurgie Erasmus MC, Rotterdam, PhD-student Radboudumc, Nijmegen
Reageren: klik hier
